Verslag sieralgenbemonstering in De Weerribben, 30 juni 2010

(zie bijbehorende tabel )

Bijgaande tabel is een integratie van determinatielijsten opgemaakt door Koos Meesters en ondergetekende, aangevuld met waarnemingen van Henk Schulp. Bij uiteenlopende abundantiecijfers is de hoogste waarneming vermeld. Soorten die slechts incidenteel zijn waargenomen en waarvan de determinatie niet zeker is, zijn weggelaten.
De locaties zijn opgevoerd in volgorde van bemonstering. De Amersfoortcoördinaten zijn met GPS bepaald door Alfred van Geest en Ton Joosten. De vermelde waarden voor EGV (electrisch geleidingsvermogen) zijn in het veld bepaald door Koos Meesters.
De toegepaste abundantiecode:
3 = bij vergroting van 100x in elk beeldveld aanwezig,
2 = niet in elk beeldveld, maar wel in elk preparaat met meer dan één exemplaar aanwezig,
1 = slechts incidenteel waargenomen.
0 = slechts dode cel(len) waargenomen

 

Trilveenpoeltjes in Stobbenribben en Wobbenribben

Onderzoek van ondergetekende in de jaren 70 van de vorige eeuw wees uit dat de zwak-zure trilveenpoeltjes in De Weerribben, tezamen met die in De Wieden, destijds behoorden tot de allerrijkste vindplaatsen van sieralgen in Nederland (Coesel 1981). Met name de trilveencomplexen Stobbenribben en Wobbenribben, gelegen aan weerszijden van de Hoogeweg, nabij de Tjaskermolen, leverden zeer soortenrijke monsters op. Omdat (in tegenstelling tot De Wieden) De Weerribben nadien nooit meer op sieralgen werden geïnventariseerd, leek een hernieuwde bemonstering zinvol.
De monsterlocaties kunnen in het kort als volgt worden gekarakteriseerd:
1) Stobbenribben, perceel III in Coesel (1986). Nagenoeg drooggevallen slenkje in zuidelijk deel, met o.a. Utricularia intermedia en mos CampyliumKaart.
2) Stobbenribben,, zelfde perceel, centrale gedeelte. . Natte depressie met groen-slijmerige overtrek op Sphagnum. Kaart
3) Stobbenribben, zelfde perceel, noordzijde, nabij Achtersloot. Nagenoeg drooggevallen slenken met Scorpidium-begroeiing.Kaart.
4) Stobbenribben, perceel II in Coesel (1986). Waterhoudend slenkje aan noordzijde perceel, met Chara spp. en Utricularia minor. Kaart.
5) Stobbenribben, zelfde perceel, centrale gedeelte. Waterhoudend slenkje met Utricularia intermedia, omgeven door Sphagnum-dek. Kaart.
6) Wobbenribben. Waterhoudend slenkje met Scorpidium, omsloten door Sphagnum-Polytrichum-dek. Kaart.
7A) Wobbenribben, ander perceel. Natte depressie met groen-slijmerige overtrek op Sphagnum. Kaart.
7 B) Wobbenribben, zelfde perceel. Nabijgelegen waterhoudende slenk met Menyanthes trifoliiata  en Scorpidium. Kaart.

Petgaten

Ook de petgaten en sloten in De Weerribben, met name indien helder water met rijk ontwikkelde onderwatervegetaties bevattend, leverden vroeger hoge sieralg-gerelateerde natuurwaarden op. Tijdens de excursie werd een drietal open-waterlocaties bemonsterd:
8) Relatief jong petgat met helder water  in gebied De Woldakkers. Uitgebreide kranswiervegetaties wijzen op pioniersituatie. Slechts weinig hogere waterplanten (Nuphar, Nymphaea, Scirpus lacustris). Kaart.
9) Ouder petgat, aan oostzijde van de Hoogeweg. Helder water met dichte vegetaties van Stratiotes, Nuphar, Nymphaea, Elodea en diverse Potamogeton-soorten. Kaart.
10) Brede grenssloot aan zuidzijde van groot veenmos-dopheideveld bij parkeerterrein ‘Noordervenerbosch’ (bij Ossenzijl). Helder water met Myriophyllum en Utricularia vulgaris. Kaart

 

Evaluatie

Trilveenslenkjes

Vergeleken met de ervaring uit de jaren zeventig bleken aantal en omvang van de trilveenslenkjes aanzienlijk verminderd. Daarnaast moet geconstateerd worden dat ook de sieralgenrijkdom in de overgebleven slenkjes aanzienlijk is teruggelopen. Terwijl vroeger in een enkel slenkje wel tot zo’n honderd soorten werden aangetroffen  (Coesel 1998, p. 33), werd nu een soortenaantal van 52 als hoogste score geboekt (monsterpunt 1). Ook de aantallen Rode-lijstsoorten van vroeger (tot 17 per slenkje) werden, met een maximum van 9, in de onderhavige inventarisatie  bij lange na niet meer gehaald. Aansprekende, in Nederland zeldzame soorten als Micrasterias brachyptera, Micrasterias fimbriata, Cosmarium taxichondriforme en Staurastrum polytrichum, vroeger algemeen aanwezig, werden nu niet meer gevonden. Veel van de overige bekende trilveensoorten werden bovendien nog slechts incidenteel aangetroffen, waardoor de indruk van teruggelopen diversiteit wordt versterkt. Als opvallende nieuwkomer kon overigens worden genoteerd Micrasterias americana, een waarneming die strookt met de al geruime tijd bekende expansie van deze soort in ons land sinds medio vorige eeuw.
Een mogelijke verklaring voor de geconstateerde relatieve armoede van de sieralgenflora is niet moeilijk te vinden. Allereerst kan gedacht worden aan  het droge voorjaar. Met name de voorafgaande maand juni was warm en zeer droog, waardoor de nog aanwezige slenkjes nauwelijks of geen vrij water meer bevatten. Belangrijker echter moet de ver voortgeschreden vegetatiesuccessie worden geacht waardoor, vergeleken met de jaren 70, veel slenkjes zijn verdwenen. Daarnaast heeft de voortgeschreden successie van het omringende vegetatiedek (in de richting van een nagenoeg gesloten veenmosdek) kennelijk tot een verzuring van het water in de resterende slenkjes geleid.  Niet alleen de geringere diversiteit, maar vooral ook de specifieke samenstelling van de waargenomen sieralgflora wijst hierop.  Bijgaande tabel geeft aan dat de meeste soorten eerder kenmerkend zijn voor een uitgesproken zuur dan voor het zwak zure  tot neutrale milieu dat als karakteristiek wordt beschouwd voor trilveenslenkjes met een begroeiing van Plat Blaasjeskruid en Schorpioenmos. Het meest extreem in dit opzicht was monsterpunt 7A, met een geleidingsvermogen van maar 75 µS/cm. Hier werden slechts 9 sieralgsoorten waargenomen, waaronder soorten die als kenmerkend gelden voor zure hoogveenpoeltjes en heidevennen, zoals Actinotaenium cucurbita, Staurastrum margaritaceum, Cosmarium amoenum en Euastrum gayanum. Genoemde soorten werden tijdens het jarenlange onderzoek in de jaren 70 in het gebied van Weerribben en Wieden in het geheel niet aangetroffen.

Open-waterlocaties

De drie bemonsterde locaties vertonen een sterk uiteenlopend beeld. Monsterpunt 10 (de brede sloot met Groot blaajeskruid) leverde de grootste diversiteit op. Onder de 46 waargenomen taxa zijn er flink wat die indicatief zijn voor een prima waterkwaliteit, zoals de frequent waargenomen soorten Closterium kuetzingii, Cosmarium humile, Cosmarium tetraophthalmum, Cosmarium turpinii, Gonatozygon monotaenium, Staurastrum avicula, Staurastrum cristatum, Staurastrum furcigerum en Xanthidium antilopaeum. Qua sieralgenrijkdom kan deze sloot wedijveren met de schoonste openwaterlocaties uit de jaren 70.
Vergeleken daarmee steekt de oogst van monsterpunt 9, met slechts 14 soorten, pover af. Het is niet duidelijk of dit te maken heeft met een minder optimale monstername of met een lagere waterkwaliteit. Ogenschijnlijk gaf de visueel waarneembare situatie — schoon water, met een weelderige waterplantenontwikkeling — tot dit laatste geen aanleiding.
Verreweg het meest interessant bleek monsterpunt 8. Niet zozeer vanwege de diversiteit als wel door de vondst van een aantal onverwachte soorten. Allereerst betreft dat Sphaerozosma filiforme, een door Henk Schulp waargenomen (en gefotografeerde) zeer karakteristieke soort met draadvormige, gespiraliseerde kolonies, voor het laatst in Nederland gevonden in Het Hol, 1948. Als geheel nieuw voor de Nederlandse flora (maar mogelijk eerder over het hoofd gezien) geldt Cosmarium anisochondrum var. geminatum. Pleurotaenium coronatum is een aansprekende, zeer zeldzame soort die tot nu toe vanuit N.W. Overijssel onbekend was. Nog zeldzamer is Pleurotaenium baculoides, al moet met betrekking tot de onderhavige identificatie een klein voorbehoud worden gemaakt (zie onder Taxonomische aantekeningen). Helaas werden bovengenoemde soorten slechts incidenteel en slechts door één of enkele deelnemers waargenomen. De algehele dichtheid van sieralgcellen in de genomen monsters was namelijk opvallend laag. Wellicht hangt dit samen met de afwezigheid van geschikt substraat. Weliswaar waren plaatselijk dichte submerse vegetaties van kranswier aanwezig, maar kranswieren gelden (door afgifte van specifieke, epifyt-onvriendelijke verbindingen) als een ongeschikt substraat voor microalgen. Voor het overige was het open water in het petgat nauwelijks begroeid.

 

Taxanomische aantekeningen

* Cosmarium anisochondrum var. geminatum Messikommer.  Vrij regelmatig waargenomen in petgat Woldakkers.  Door Ton Joosten reeds eerder gevonden op Schiermonnikoog. Soort nieuw voor Nederland. Kan over het hoofd worden gezien door oppervlakkige gelijkenis met Cosmarium punctulatum of Cosmarium  dickii.
* Pleurotaenium cf baculoides. De door Peter Coesel aangetroffen vorm in petgat Woldakkers voldoet aan de kenmerken van genoemde soort, zij het dat de lengte/breedte-verhouding wat aan de korte kant is (lengte 400 µm, breedte 21 µm).
* Cosmarium impressulum var. subimpressulum Messikommer. Dit taxon, waarbij in de wand van lege cellen enkele transversale rijen oplichtende porevelden zijn te zien, kan — vanwege de omtrekvorm en een krachtige algehele scrobiculering van de celwand — verward worden met Cosmarium paragranatoides. Nader taxonomisch onderzoek is gewenst.
* Closterium cf macilentum Brébisson. Werd in klein aantal aangetroffen in zowel Stobben- als Wobbenribben. Betreft vrijwel zeker dezelfde soort als afgebeeld in Coesel (2002), uit Het Hol. Komt overeen met Closterium macilentum als weergegeven in flora Růžička (1977), maar mist de gordelbanden die voor deze soort kenmerkend zouden moeten zijn.
* Pleurotaenium cf archeri. Waargenomen (en gefotografeerd) door Koos Meesters op monsterpunt 3. Voldoet qua vorm aan diagnose van genoemde soort, maar de lengte (310-340 µm) is veel kleiner dan voor deze soort opgegeven.
*Cosmarium subquadrans. De nominate variëteit, met afmetingen van circa 27 x 28 µm, aangetroffen door Koos Meesters op monsterpunt 1, was tot dusverre niet uit Nederland bekend.

Aangehaalde literatuur

Coesel, P.F.M. (1981). Distribution and ecology of desmids in a Dutch broads area. Thesis, University of Amsterdam.
Coesel, P.F.M. (1986). Structure and dynamics of desmid communities in hydrosere vegetation in a mesotrophic quivering bog. Beihefte Nova Hedwigia 56: 119-142.
Coesel, P.F.M. (1998). Sieralgen en Natuurwaarden. Wetenschappelijke Mededeling KNNV, nr. 224,
Coesel, P.F.M. (2002). Enkele zeldzame, taxonomisch problematische sieralgsoorten uit Het Hol. Gorteria 28: 134-138.
Růžička, J. (1977). Die Desmidiaceen Mitteleuropas 1. 1. Schweizerbart, Stuttgart.

 

Eindconclusie:

Openwaterlocaties

De bemonsterde sloot nabij Ossenzijl kan qua sieralgendiversiteit wedijveren met de schoonste open wateren uit de jaren 70. Het petgat bij de Woldakkers  heeft een lagere diversiteit — mogelijk samenhangend met het pionierkarakter van de aanwezige vegetatie — maar een bijzondere natuurwaarde door de aanwezigheid van een aantal voor Nederland uiterst zeldzame soorten. Verdere positieve ontwikkeling van deze natuurwaarde lijkt alleszins mogelijk.

Trilveenslenkjes

De sieralgenrijkdom in de bemonsterde trilveentjes van Stobben- en Wobbenribben is sinds de jaren 70 van de vorige eeuw door voortschrijdende successie sterk teruggelopen. De ontwikkeling op langere termijn is zeer zorgelijk. Als de natuurlijke vegetatiesuccessie op de percelen niet kan worden teruggedraaid of opnieuw opgestart dreigen tal van zeldzame sieralgsoorten uit het gebied te verdwijnen en deels zelfs voor heel Nederland verloren te gaan.

 

Peter F.M. Coesel
Amsterdam, 9 augustus 2010