|
evaluatie
|
|
|
|||||
In bijgaande soortenlijsten zijn de monsterpercelen opgevoerd in volgorde van bemonstering en voorzien van de Amersfoortcoördinaten zoals omgerekend uit GPS-bepalingen in het veld door Wim van den Broeke.
Vermelde waarden voor EGV (Electrisch geleidingsvermogen) zijn in het veld bepaald door Peter Coesel; voor pH door Ronald Bijkerk. Hoewel er, blijkens deze metingen, wel degelijk verschillen waren tussen de diverse poeltjes binnen eenzelfde perceel zijn gemakshalve de sieralgwaarnemingen per perceel geïntegreerd waarbij het hoogst waargenomen abundantiecijfer is vermeld.
De toegepaste abundantiecode:
3 = bij vergroting van 100x in elk beeldveld aanwezig,
2 = niet in elk beeldveld, maar wel in elk preparaat met meer dan één exemplaar aanwezig,
1 = slechts incidenteel waargenomen.
Rode-Lijst-soorten zijn vetgedrukt.
Van Henk Schulp ontving ik soortenlijsten per lokatie, zonder abundantieopgave, van Koos Meesters eveneens, mét abundantieopgave. Soorten die door hen werden aangetroffen, maar niet door mij zijn in de desbetreffende kolom met een sterretje genoteerd. Dit niet alleen om aan te geven dat bedoelde soorten niet persoonlijk door mij werden waargenomen, maar ook om overzichtelijk te maken hoeveel invloed keuze en aantal van de genomen monsters kunnen hebben op de uiteindelijke soortenlijst. Met name Koos Meesters heeft een aanmerkelijk groter aantal soorten waargenomen dan ikzelf, voornamelijk toe te schrijven aan een bredere bemonstering en /of een intensievere microscopische analyse. Enkele door Koos/Henk vermelde soorten zijn door mij niet in de lijst opgenomen, namelijk waar het gaat om soorten die in het onderhavige milieu niet direct te verwachten zijn en bovendien slechts incidenteel werden waargenomen.
Blauwgrasland De Klosse (drie percelen)
Het blauwgraslandcomplex De Klosse is dicht tegen het veengebied van De Wieden gelegen en bleek ten tijde van ons bezoek dermate drassig dat er probleemloos algenmonsters uit de vele aanwezige poeltjes konden worden genomen. De meeste monsters werden verkregen door het uitknijpen van diverse slaapmossen (Calliergon/Calliergonella soorten). Tussen de percelen werden geen grote verschillen waargenomen. De aanmerkelijk kleinere soortenlijst van het laatstbezochte perceel is waarschijnlijk terug te voeren op een minder intensieve bemonstering. Het aangetroffen sieralgensoortenassortiment is karakteristiek voor een zwak zuur, matig voedselarm milieu. Uitgesproken zeldzaamheden werden niet waargenomen, maar er zaten toch soorten tussen die bepaald niet alledaags zijn, waaronder de fraaie Rode-Lijstsoorten Xanthidium fasciculatum en Staurastrum spongiosum. Vermeldenswaard zijn voorts de zygosporevondsten van Closterium gracile en Euastrum oblongum.
Een bepaling van de sieralg-gerelateerde natuurwaarde leverde voor elk der drie percelen het cijfer 6 op, hetgeen landelijk gezien voor dit mileutype bepaald niet slecht is.
Het bemonsterde petgat werd een tiental jaren geleden nieuw uitgebaggerd en kenmerkt zich thans door helder water met een weelderige begroeiing van ondermeer Waterlelie, Gele Plomp, Waterpest en Krabbenscheer. Het heldere water, een geleidingsvermogen van ruim 300 microSiemens/cm en een pH van net boven 8 duiden op een zwak alkalisch, matig voedselrijk milieu. De aangetroffen sieralgflora blijkt hier geheel mee in overeenstemming, met tal van voor deze habitat kenmerkende soorten, als Cosmarium biretum, Cosmarium fontigenum, Cosmarium protractum, Cosmarium turpinii, Micrasterias crux-melitensis, Staurastrum lunatum en Staurastrum manfeldtii. Aardigste vondst was wellicht die van Euastrum germanicum, een voorheen in ons land uiterste zeldzame sieralg die de laatste jaren aan een sterke opmars bezig lijkt (zie sieralg van de maand augustus 2002).
De voor het onderhavige petgat berekende natuurwaarde van 10 geeft aan dat de sieralgflora behorend bij dit milieutype optimaal ontwikkeld is.
Zoals verwacht mocht worden vormden de trilveentjes de climax van de excursiedag. De talrijke poeltjes — met typisch mesotrofe plantensoorten als Plat blaasjeskruid, Rood en Klein schorpioenmos, diverse Goudmossoorten — bleken een uiterst rijke sieralgenflora te herbergen, met tal van voor deze habitat karakteristieke Rode-Lijstsoorten, als Actinotaenium turgidum, Closterium costatum, Cosmarium connatum, Micrasterias papillifera, Pleurotaenium truncatum, Staurastrum polytrichum en Xanthidium fasciculatum. Voor elk der drie bezochte percelen werd dan ook moeiteloos het maximale natuurwaardecijfer 10 gescoord. Toch gaven de percelen nog wel kwalitatieve verschillen te zien. Het minst rijk bleek trilveen De Vlakte, met een geregistreerd soortental van 84, waaronder 13 Rode-Lijstsoorten. Trilveen Jo Moraal kwam met 91 soorten (waaronder 18 op Rode Lijst) duidelijk beter uit de bus, terwijl de kroon werd gespannen door het laatstbezochte perceel, Eelkema, met 117 soorten (waaronder 19 op Rode Lijst). Dat deze cijfers overigens niet alles zeggen werd gedemonstreerd door waarnemingen van Micrasterias pinnatifida, uitsluitend vanuit trilveen Jo Moraal. Hoewel natuurlijk niet uitgesloten kan worden dat genoemde soort ook in de andere percelen voorkomt, is het toch wel treffend dat ze vanuit Jo Moraal in uiteenlopende monsters onafhankelijk door tenminste vier leden van de sieralgenclub werd geregistreerd, terwijl er geen waarnemingen vanuit de andere twee percelen bekend zijn. De vondst van Micrasterias pinnatifida, een soort die meer dan vijftig jaar niet in Nederland was aangetroffen, kan als het onmiskenbare hoogtepunt van de excursie aangemerkt worden. Een tweede zeer bijzondere vondst betreft die van conjugerende Actinotaenium phymatosporum, aangedragen door Albert Delfos. Genoemde soort behoort tot een groep van kleine Actinotaenium-soorten die in vegetatieve toestand niet of slechts uiterst lastig uit elkaar zijn te houden. Slechts op basis van de zygosporevorm zijn ze met meer zekerheid op naam te brengen. Het toeval (?) wilde dat ten tijde van onze bemonstering vrij veel sieralgsoorten geslachtelijke voorplanting vertoonden. Naast de al genoemde zygosporen van Closterium gracile en Euastrum oblongum in De Klosse werden er — in de trilvenen — conjugatiestadia gevonden van Micrasterias papillifera, Micrasterias rotata, Tetmemorus laevis, Euastrum ansatum, Actinotaenium spinospermum en Actinotaenium phymatosporum. Laatstgenoemde soort was niet eerder uit Nederland gemeld. Vermoedelijk is ze wel eerder gevonden, maar over het hoofd gezien of verward met andere soorten. In vegetatieve toestand gelijkt ze veel op Actinotaenium spinospermum, maar de zygosporen zijn duidelijk verschillend. Overigens betekent, voor zover bekend, ook de zygosporevondst van Euastrum ansatum de eerste voor Nederland!
Al met al werden in de monsters van 10 juni zo’n 170 sieralgsoorten aangetroffen, waaronder 23 Rode-Lijstsoorten: een resultaat dat wel niet gauw overtroffen zal worden
Peter Coesel
Amsterdam, 10 juli 2003